Na goedkeuring van de werkzame stof in Europa zal voor elk individueel systeem (bijvoorbeeld in situ gegenereerd actief chloor uit natriumchloride van firma X) een toelating als biocide aangevraagd moeten worden. Dat kan op nationaal of op Europees niveau gebeuren.

Bij de toelating van in situ gegenereerde biociden bestaan de volgende categorieën:

Precursors die geschikt zijn voor toelating

In deze categorie zijn er één of meer precursors die op de markt gebracht worden en die een toelating kunnen krijgen.

Het gaat hier bijvoorbeeld om koper- en zilverionen gegenereerd uit koper- en zilverelektroden. De elektroden worden op de markt gebracht en zijn de precursors voor de werkzame stoffen, koperionen en zilverionen. Toegelaten wordt in dit geval de precursor, dus koper en zilver in de vorm van specifieke elektroden van een bepaalde leverancier.

Bij de toelating in Nederland stelt het Ctgb eisen aan de werkzame stoffen die met de precursor gegenereerd worden. In het voorbeeld van koper- en zilverelektroden, stelt het Ctgb onder andere de eis dat koper- en zilverionen in water slechts binnen een concentratiebereik gegenereerd mogen worden, bijvoorbeeld:

  • voor koper minimaal 200 microgram per liter en maximaal 1.000 microgram per liter,
  • voor zilver minimaal 10 microgram per liter en maximaal 50 microgram per liter.

Het wettelijk gebruiksvoorschrift dat het Ctgb afgeeft voor de koper-zilverelektroden is: “Toegestaan is uitsluitend het gebruik van de elektroden in apparatuur voor koper-/zilverionisatie van het merk X”. Op die manier is het ‘systeem’ gekoppeld aan het toegelaten middel (de elektroden).

Precursors die niet geschikt zijn voor toelating

Bij sommige in situ gegenereerde biociden is het niet mogelijk om de precursor toe te laten, bijvoorbeeld als het biocide in situ wordt gegenereerd uit lucht, drinkwater of bijvoorbeeld zeewater.

Voorbeelden hiervan zijn:

  • ozon dat gegenereerd wordt uit lucht,
  • actief chloor, dat gegenereerd wordt uit zeewater.

In deze situaties is de precursor (lucht of zeewater) niet ‘geschikt’ om toegelaten te worden omdat deze algemeen beschikbaar is. Daarom zal in deze gevallen de in situ gegenereerde werkzame stof het biocide zijn dat de toelating krijgt. Daarbij kan het belangrijk zijn voor de aanvrager dat hij zijn apparaat waarmee het biocide gegenereerd wordt onderdeel laat uitmaken van de toelating. Het Ctgb zal eisen stellen aan de werkzame stoffen die met de precursor gegenereerd worden.

Bij de toelating geeft het Ctgb een wettelijk gebruiksvoorschrift af. Zo zal het wettelijk gebruiksvoorschrift voor ozon de vorm kunnen krijgen van: “Toegestaan is uitsluitend het gebruik van ozon gegenereerd door apparatuur van het merk X voor de desinfectie van lucht.”

In de toelating zal worden aangegeven dat de gegenereerde ozon moet voldoen aan voorwaarden. Een voorwaarde kan zijn: “De concentratie ozon in de lucht gegenereerd met apparatuur van merk X dient te liggen tussen 20 en 50 deeltjes per 1 miljard deeltjes.”

Toelating op basis van vrije radicalen

Vrije radicalen zijn werkzame stoffen met een (zeer) korte levensduur. Vanwege de korte levensduur en hoge reactiviteit moeten deze radicalen, wanneer ze toegepast worden als biocide, in situ gegenereerd worden. Vrije radicalen worden gedefinieerd als atomen, moleculen of ionen met op zijn minst een ongepaard elektron. Singletzuurstof is strikt genomen geen vrij radicaal maar wordt voor het gemak ook tot deze categorie gerekend.

Vrije radicalen worden ingedeeld in drie groepen:

  • Systemen die radicalen genereren om water te behandelen. Een voorbeeld hiervan is het in Nederland toegelaten systeem AOT-Aqua+, waarbij onder invloed van UV licht hydroxylradicalen in water gevormd worden. Hiermee kan een waterstroom gedesinfecteerd worden.
  • Systemen die radicalen genereren om lucht te behandelen. Dit zijn bijvoorbeeld systemen voor luchtbehandeling die elektrische ontlading of UV licht gebruiken om radicalen te vormen. Met deze radicalen wordt een luchtstroom gedesinfecteerd.
  • Mengsels of artikelen die radicalen genereren om oppervlakken te behandelen. Dit zijn bijvoorbeeld verven op basis van titaniumdioxide als katalysator, die onder invloed van UV licht vrije radicalen uit lucht of water genereren. De radicalen zorgen dat het oppervlak van de verf gedesinfecteerd blijft.

De radicalen zijn de biociden die toegelaten moeten worden. Precursors van radicalen om water en lucht te behandelen zijn niet ‘geschikt’ voor toelating. De toelating kan in die gevallen bijvoorbeeld de vorm krijgen van: ‘hydroxylradicalen gegenereerd met systeem X van firma Y ter desinfectie van water’.

Bij een verf worden de radicalen gevormd onder invloed van UV licht en de katalysator in de verf uit lucht en/of water. Europees is nog niet afgestemd wat in dit geval de toelating krijgt, maar voor de hand ligt om de verf toe te laten.

Toelating biociden op basis van releasers

Releasers zijn stoffen die in de omstandigheden van het gebruik een stof vrij laten komen die het biocide effect bewerkstelligt. Het gaat hier niet echt om in situ ‘gegenereerde’ biociden.

Releasers zijn wel verwant aan in situ gegenereerde biociden omdat:

De combinatie van releaser en de vrijkomende werkzame stof wordt gezien als de werkzame stof. Daarom is het middel dat de releaser bevat het biocide dat de toelating krijgt. Daarmee lijkt dat middel sterk op een gewoon biocide (een middel samengesteld uit een of meer werkzame stoffen en eventueel hulpstoffen).

Het Ctgb heeft al jarenlang releasers in Nederland toegelaten, waarbij tot nu toe nooit specifiek beschreven is dat het hier eigenlijk gaat om een in situ generatie van een werkzame stof. Er zijn bijvoorbeeld middelen op basis van natriumhypochloriet die in feite actief chloor in situ genereren. In de toekomst zal bij overgang naar de Europees geharmoniseerde toelatingen, de naam van de werkzame stof van deze toelatingen aangepast worden van natriumhypochloriet in: ‘actief chloor vrijgemaakt uit natriumhypochloriet’.