Op 16 juni 2020 heeft het ministerie van IenW de Tweede Kamer geïnformeerd over de maatregelen die zijn genomen om het aanbod van desinfectiemiddelen in korte tijd te kunnen vergroten.

Vanwege de uitbraak van COVID-19 konden er in Nederland onvoldoende regulier toegelaten desinfectiemiddelen aangeboden worden om aan de toegenomen vraag te voldoen. Om het beschikbare middelenpakket tijdelijk te vergroten zijn er verschillende vrijstellingen afgegeven.

Bij het verlenen van de vrijstellingen heeft IenW de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Een vrijstelling voor desinfectiemiddelen wordt alleen afgegeven als er een noodzaak is. De vrijstelling wordt generiek geformuleerd, zodat er met iedere vrijstelling een groot volume middelen beschikbaar komt en geen bevoordeling plaatsvindt van individuele bedrijven;
  • Een vrijstelling mag niet ten koste gaan van de beschikbaarheid van middelen voor de zorgsector. Het bedienen van de zorgsector staat in deze crisis centraal en mag niet in het gedrang komen;
  • Er worden geen extra middelen voor consumenten beschikbaar gesteld omdat daar het gebruik van water en zeep afdoende is;
  • Vrijgestelde middelen moeten betrouwbaar (werkzaam) en veilig te gebruiken zijn. IenW heeft zich hierover laten adviseren door het Ctgb en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu);
  • De besluiten zijn handhaafbaar. IenW heeft zich hierover laten adviseren door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).

IenW wijst er op dat alle vrijstellingen tijdelijk zijn. Bedrijven die de Nederlandse markt willen blijven bedienen, zullen dus via de reguliere toelatingsprocedure een toelating voor hun producten aan moeten vragen bij het Ctgb.