Vlag van de EU

EUEuropese unie-lidstaten ondervinden knelpunten bij de uitvoering van de Biocidenverordening. De Europese Commissie (EC) heeft een zogenoemde fact finding mission uitgevoerd, om te onderzoeken welke knelpunten dat zijn. Naar aanleiding hiervan geeft de staatssecretaris voor Infrastructuur en Waterstaat aan wat nodig is om de knelpunten aan te pakken. Ze schrijft dit in een brief aan de Tweede Kamer.

Resultaten fact finding mission

De EC heeft in 2018 onderzoek verricht naar de uitvoering van de Biocidenverordening in België, Duitsland, Hongarije, Spanje en Nederland. De bevindingen staan in een overzichtsrapport. Er is een apart NL-rapport over de resultaten van het onderzoek in Nederland. De onderzoekscommissie van de EC constateert dat in Nederland een goed gestructureerd systeem aanwezig is voor toelating en controle van biociden. De EC constateert dat er vertraging is ontstaan bij de goedkeuring van stoffen en de toelating van producten onder de Biocidenverordening. Mede daardoor vallen de meeste toelatingen van biociden in de lidstaten nu onder het nationale overgangsrecht en nog niet onder de Biocidenverordening. Het nationale overgangsrecht verschilt per land, waardoor een gelijk speelveld in de EUEuropese unie nog niet is bereikt. Over de handhaving zegt de EC dat er nog steeds veel niet-toegelaten producten op de Nederlandse markt zijn en dat er geen goed overzicht is van de controles en handhavingsmaatregelen. De staatssecretaris neemt de bevindingen serieus en geeft aan wat nog nodig is voor verdere verbetering. Dit in aanvulling op genomen acties van de afgelopen jaren.

Wegwerken achterstanden bij Ctgb

Uit het onderzoek in Nederland komt naar voren dat het Ctgb achterloopt in het beoordelen van dossiers. De staatssecretaris beschrijft welke maatregelen het Ctgb de afgelopen jaren al heeft genomen om deze achterstanden weg te werken. Veel aanvragers kiezen ervoor om een aanvraag bij het Ctgb in te dienen. De werklast bij het Ctgb is daardoor sterk toegenomen. Daarom worden nu meer mensen ingezet om biociden te beoordelen en is er een nieuw, flexibeler, planningssysteem. Ondanks deze inspanningen verwacht het Ctgb dat het nog wel een paar jaar duurt voor alle aanvragen binnen de wettelijke termijnen worden afgehandeld. Ook andere landen zullen hun capaciteit moeten uitbreiden en meer ervaring moeten opdoen met het beoordelingsproces.

Europese inzet

De Europese stoffenbeoordeling gaat uit van een prioritering van stoffen met toepassingen die een potentieel groot risico voor mens en milieu hebben. Stoffen voor knaagdierbeheersing, insecticiden, houtverduurzaming en aangroeiwerende stoffen voor schepen zitten in de eerste geprioriteerde stofgroepen. De prioritering lijkt door vertraging van een deel van de stofdossiers nu niet meer zo precies gevolgd te worden. De staatssecretaris zal Europees bepleiten dat de lidstaten zich toch zoveel mogelijk houden aan de afgesproken prioritering.

Risicogericht toezicht

De belangrijkste handhavende instanties, ILT en NVWA, hebben afspraken gemaakt om duidelijker aan te geven wie waarvoor verantwoordelijk is en om de samenwerking in het toezicht op de Biocidenverordening te verbeteren. Een risicogerichte aanpak blijft het uitgangspunt voor het toezicht. Voorop staat dat er een goede bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu moet zijn. De kans op risicovolle illegale middelen op de markt moet zo klein mogelijk zijn. De Staatssecretaris vindt daarom een extra inzet op de meest risicovolle biociden belangrijk. Door de inventariseren voor welke biociden de grootste zorg bestaat voor mens of milieu ondersteunt het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu op verzoek van de staatssecretaris de risicogerichte aanpak van ILT en NVWA. Dit onderzoek is breder dan de eerdergenoemde Europese prioritering voor de stoffenbeoordeling en kan zich bijvoorbeeld richten op niet-toegelaten biociden en onjuist gebruik van biociden. Op grond hiervan bespreekt de staatssecretaris met de ILT en NVWA hoe deze meest zorgwekkende biociden met voorrang aangepakt kunnen worden.

Inzet op voorlichting

Naast de handhaving zelf is een stevige inzet op voorlichting door handhavers belangrijk om problemen te voorkomen. De staatssecretaris bespreekt daarom met de ILT en NVWA  wat met name voor die meest zorgwekkende biociden nog meer aan voorlichting kan worden gedaan. Een verantwoord gebruik van biociden vergt samenwerking van alle partijen op basis van goede informatie en kennis. Hier ligt een belangrijke rol voor het Kennisnetwerk Biociden.